Luchtoorlog



De onzichtbare sporen van de luchtoorlog




Flak Termunten
Verreweg de meeste gevechtsacties in de Tweede Wereldoorlog in Noord-Nederland laten geen zichtbare sporen achter. Zo worden boven Drenthe, Groningen in de loop van de oorlog vele honderden geallieerde bommenwerpers op weg naar Duitsland of op hun terugvlucht naar Engeland – zowel overdag als ook ’s nachts – door de Duitse luchtverdediging neergeschoten.

Flak (luchtafweergeschut) op het dak van de sluiswachterswoning bij de Groevesluis in Appingedam.

Er komen in Friesland meer toestellen naar beneden dan in Groningen en Drenthe. Dat komt omdat de Duitsers hier hun eerste verdedigingslijn hebben om vliegtuigen te onderscheppen: het vliegveld Leeuwarden met ondersteunende radarstations. De top ligt in 1943. Daarna concentreert de Duitse luchtverdediging zich meer op het eigen land. Vanaf dat jaar storten er meer vliegtuigen neer boven Groningen en Drenthe en veel minder boven Friesland. Er kwamen boven Groningen ook meer Duitse toestellen naar beneden dan geallieerde.


Tijdens de oorlog zijn er zo’n 6000 vliegtuigen neergehaald boven Nederland. Een groot aantal daarvan explodeert in de lucht geëxplodeerd of verdwijnt in het IJsselmeer of de Noordzee. Vaak exploderen de toestellen hoog in de lucht, waarna de brokstukken over het landschap neer regenen. Deze resten worden grotendeels door de Duitse bezettingstroepen geruimd, net als de stoffelijke overblijfselen van de gesneuvelde bemanningsleden. Het verliesregister vermeldt voor Drenthe 99 verloren gegane toestellen in de periode 1940-1945.

De grote concentratie wrakken in het IJsselmeer is een gevolg van het feit dat de 'Zuiderzee' een speciale rol speelde in de geallieerde luchtoorlog tegen Duitsland. De grote watervlakte was niet alleen een duidelijk baken; het was ook een geliefde plek om noodlandingen te maken.

Het was er bovendien iets veiliger dan boven land, omdat er geen luchtafweer was, zoals bijvoorbeeld langs de Groningse kust (foto Flak Termunten Ties Groenewold Oorlogsmuseum Middelstum). Als gevolg daarvan werd het IJsselmeer een door veel geallieerde vliegers gebruikte corridor. Het luchtruim erboven leende zich eveneens goed als ontmoetingsplaats voor bommenwerpers en begeleidende jagers. Dat wisten natuurlijk ook de Duitsers. Daarom concentreerden zij een groot deel van hun nachtjagers op vliegvelden rond het meer. Beneden, op het water, voeren hun schepen met zoeklichten.




Het moet een merkwaardig gezicht zijn geweest. Toen in de jaren vijftig de nieuwe Flevopolders werden drooggelegd, staken her en der vleugels, propellers en andere metalen boven de modder uit van dit grootste vliegtuigkerkhof van Europa.

Tot de 'oogst' van de vele luchtgevechten boven het meer behoorden zoals gezegd vooral grote bommenwerpers (zoals Britse Lancasters en Halifax'en en Amerikaanse Liberators en Vliegende Forten) aan de geallieerde kant, en tweemotorige nachtjagers (Junkers-88 en Messcherschmitts Me-110) aan de Duitse kant. In totaal vielen er in het hele IJsselmeergebied ongeveer zeshonderd vliegtuigen uit de lucht. Ruim zeventienhonderd vliegers verloren daarbij het leven. Vaak staan de bemanningen van deze vliegtuigen nog geboekt als vermist.

De Duitsers gebruiken veel materialen opnieuw. Vanaf het voorjaar van 1943 wordt dit werk mede verricht door Nederlandse bedrijven. Na de bevrijding worden dieper in de grond zittende wrakken opgegraven door bergingsdienst en door handelaren die met toestemming van de regering op zoek gaan naar oud ijzer, dat ten tijde van de Korea-oorlog goud waard is. Ook particulieren gaan, legaal of illegaal, aan het opgraven.

In de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog kan een boer je nog precies vertellen waar op zijn land een vliegtuig is neergestort. In droge zomers worden die plekken in het weiland het eerst geel. Dat komt door de koolwaterstoffen uit de benzine en de olie die samen met de zwaarste delen van het vliegtuig meters diep de grond in sloegen. Maar verder is er nauwelijks iets te zien.
Toch zitten er nog steeds zo’n 1500 Britse, Amerikaanse en Duitse vliegtuigen onder de grond. Nog dagelijks is de Bergings- en Identificatiedienst Koninklijke Landmacht (BIDKL) bezig met het bergen en identificeren van oorlogsslachtoffers, burgers, militairen en verzetsmensen. Nog steeds krijgen stoffelijke resten eindelijk een naam en een laatste rustplaats. En achter ieder vliegtuigwrak schuilt een persoonlijk verhaal. Nog altijd zijn er nabestaanden van vliegers die gemeenten verzoeken om een vliegtuigwrak op te graven, zodat hun familieleden kunnen worden geïdentificeerd en herbegraven. Niet alle gemeenten werken daaraan mee.

Nog vier mensen zoek

De stoffelijke overschotten van 1085 vermiste bemanningsleden liggen mogelijk nog onder de grond (kaartje). Dat blijkt op 1 mei 2016 uit een analyse van de NOS in samenwerking met de Studiegroep Luchtoorlog 1939-1945. Maar in het overzicht zitten nogal wat hiaten. In plaats van zeven lichamen, die nog in de Drentse bodem zouden zitten, zijn dat er in werkelijkheid maar vier. Bij Ruinerwold is nog een lid vermist van een Engelse bommenwerper, die daar op 29 december 1943 neerkwam. Wie dat is, is onbekend, omdat twee andere daar begraven leden niet geïdentificeerd konden worden. Dus is het of boordschutter P.J. Greenmon, of telegrafist/schutter S. Webb of boordwerktuigkundige W.D. Hall. Ook zijn drie bemanningsleden van een Lancaster, die op 9 oktober 1943 neerstort bij bij de Schoolstraat in Westervelde nog vermist: boordschutter E.A. Brinton,, telegrafist M.G. Smallridge en navigator G. Burnam Richards.

TV reportage vliegtuigwrakken mei 2006

Discussie over cijfers NOS in 2016



Artikelen